De hobo hoort bij de houten blaasinstrumenten, net zoals de dwarsfluit, de klarinet en de fagot. De hobo is een oud instrument en kwam in Egypte in de tijd van de farao's al voor. Het instrument is gemaakt van ebbenhout en de vorm is conisch, wat betekent dat het smal begint en naar onderen toe breder wordt. Op de plek van de gaten zijn zilveren kleppen aangebracht. De hobo heeft als mondstuk een dubbel riet. Dit zijn twee tegen elkaar gebonden rietblaadjes waarbij de zijkanten precies aansluiten. Bovenin zit een opening waardoor de lucht geblazen wordt. Het rietje zit los op de hobo en wordt door de hoboïst zelf gemaakt. De hobo heeft een mooie, zangerige, maar toch ook een doordringende klank. Doordat de hobo zo doordringend is, stemt het orkest op de toon van de hobo. De hobo wordt vaak gebruikt en niet alleen in een orkest, maar ook in kleinere groepjes, of solo. Ook hoor je de hobo vaak als achtergrondmuziek op de televisie. In kerken wordt vaak samen gespeeld met het orgel, of bij de piano, maar ook in de pop- en jazzmuziek is de hobo heel goed toe te passen. Vanaf de Barokperiode (rond 1600), in de tijd van Bach, tot en met de hedendaagse muziek is er veel muziek voor de hobo geschreven. De hobo leent zich er uitstekend voor om met andere instrumenten samen te spelen. Veel mensen kennen de mooie hoboklank, maar toch is de hobo niet zo populair als de dwarsfluit, omdat het bespelen ervan moeilijk lijkt en misschien ook wel een beetje zo is, maar de doorzetter zal er lange tijd veel plezier in hebben.